EU subsidies
,

EU subsidies voor innovatie geldverspilling?

Dat het aanvragen van subsidie onder het Europese Horizon 2020 programma complex, tijdrovend en duur is, wisten wij al. Onze dagelijkse praktijk heeft ook duidelijk gemaakt, dat hier slechts een geringe slaagkans tegenover staat.

Adviesbureau Technopolis maakte op verzoek van de Europese Unie (EU) een inventarisatie van de instrumenten voor stimulatie van innovatie binnen het Horizon 2020 programma. Uit het onlangs gepubliceerde rapport blijkt de realiteit echter nog minder rooskleurig dan wij dachten.

Wat is Horizon 2020 eigenlijk?

Het Horizon 2020 programma voor onderzoek en innovatie vormt het kader waarbinnen de EU in de periode 2014 – 2020 onderzoeks- en innovatieactiviteiten ondersteunt. De algemene doelstelling bestaat uit het opbouwen van een wereldwijd toonaangevende en duurzame samenleving, gebaseerd op kennis en innovatie. Met de gezamenlijke onderzoeksprogramma’s wil de EU kruisbestuiving over de publiek/private en landsgrenzen heen realiseren.

Binnen het programma zijn hiertoe diverse partnerinstrumenten ingesteld; stimuleringsregelingen waarmee projecten binnen de doelstellingen van het programma beheerd en gefinancierd worden. Een deel van deze instrumenten is ontwikkeld om de in eerdere kaderprogramma’s waargenomen fragmentatie in het landschap en dubbele innovatie-inspanningen te voorkomen. Later zijn extra instrumenten toegevoegd om o.a. de economische crisis aan te pakken. Binnen al deze instrumenten zijn honderden samenwerkingsprogramma’s voor stimulering van de thematische doelen.

Van het totale Horizon 2020 budget is ca. € 20 miljard gealloceerd aan de partnerinstrumenten en projecten die in dat kader geïnitieerd zijn.

Gefragmenteerd, ondoorzichtig, niet-coherent en bureaucratisch

Dit zijn slechts enkele van de termen die bij me opkomen als ik het rapport van Adviesbureau Technopolis lees. Voor haar inventarisatie heeft Technopolis onder andere gekeken naar de rol die de diverse stimuleringsinstrumenten spelen binnen het Europese onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatielandschap.

De partnerinstrumenten zijn in de loop der tijd ontwikkeld en weerspiegelen de toendertijd geldende prioriteiten en context. Een wildgroei aan instrumenten en programma’s heeft echter een onnodig complex  landschap veroorzaakt. Hierin valt nauwelijks synergie tussen industrie, wetenschap en maatschappelijke behoeftes te behalen en maakt coördinatie van beleid en initiatieven lastig. Ook leidt deze complexiteit tot een toename in plaats van afname van versnippering binnen het programma: partijen die binnen verschillende projecten onderzoek doen naar dezelfde thema’s, werken langs elkaar heen.

Systematische evaluatie van de effectiviteit van programmaonderdelen is niet uitgevoerd. Tevens is, met uitzondering van de “Public-to-Public Partnerships” (P2P’s), toezicht op partnerschappen niet systematisch en transparant. Hierdoor is informatie over de impact van de programma’s niet of nauwelijks te vinden en is het niet duidelijk of er überhaupt bewijs is van Europese toegevoegde waarde op het gebied van partnerinstrumenten.

Complexiteit en ondoorzichtigheid leidt tot gebrek aan coherentie in het landschap van partnerinstrumenten. Dit veroorzaakt vervolgens ineffectiviteit, inefficiëntie, overlap in beleid, inconsistentie en een hogere administratieve belasting dan noodzakelijk en gewenst.

Hoe moet het dan wel?

Daar zijn (natuurlijk) de meningen over verdeeld. Het afschaffen van de programma’s lijkt mij persoonlijk geen goede oplossing, omdat hiermee de kloof tussen privaat en publiek onderzoek en lidstaten onderling alleen maar kan vergroten. Een vereenvoudiging van het programma en de daarin aanwezige partnerinstrumenten en samenwerkingsprogramma’s lijkt echter op zijn plaats.

De aanbevelingen van Technopolis richten zich op de volgende pijlers:

  1. Gezamenlijke ontwikkeling door de Europese Commissie en lidstaten van een systematische aanpak om op transparante wijze te komen tot voorbereiding en selectie van nieuwe partnerschappen.
  2. Ontwikkeling van een systematisch kader voor het instellen van KPI’s en het verzamelen en op regelmatige basis analyseren van relevante monitoring data.
  3. Opstellen van gemeenschappelijke procedures voor het identificeren, analyseren, introduceren, beheren, monitoren van de impact en het afstoten van partnerschappen en Deze processen moeten transparant en participatief zijn, zodat input van alle lidstaten en relevante stakeholdersgroepen mogelijk is.
  4. In de nieuwe processen zouden meerlaagse partnermodellen vereist of aangemoedigd moeten worden om de drempel tot het programma te verlagen en gemakkelijker toegang te bieden voor nieuwe deelnemers.
  5. Het aantal partnerinstrumenten zou moeten worden verminderd en gericht worden op het verder ontwikkelen van de instrumenten met de meest potentie. Bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan het ontwikkelen van nieuwe modaliteiten buiten de traditionele financiering van individuele innovatieprojecten.
  6. Partnerinstrumenten zouden moeten worden herontwikkeld op basis van een tweeledige aanpak: Enerzijds aandacht voor de gemeenschappelijke agenda op de langere termijn met dynamische korte termijn projecten. Anderzijds stabiele lange termijn verplichtingen met aanzienlijk hogere ambities voor radicale en systematische innovatie.
  7. Sociaal gedreven Onderzoek & Ontwikkeling en innovatie zouden in het kaderprogramma moeten worden versterkt middels het introduceren en bevorderen van een missie-georiënteerde aanpak en grootschalige experimentele platforms.

De toekomst zal uit moeten wijzen of ook daadwerkelijk iets gedaan gaat worden met deze aanbevelingen.

Heeft jouw internationale project Europese ambities? Wij komen graag bij je langs om de mogelijkheden toe te lichten en met je mee te denken. Aarzel niet om in het geval van vragen contact met ons op te nemen via 088 900 1100, info@subtracers.com of via uw vaste SUBtracers-adviseur.

Auteur: Susanne Visch